Negatieve frequentie-afhankelijke selectie in biologische diversiteit

Negatieve frequentie-afhankelijke selectie is een uniek en relatief zeldzaam fenomeen in de biologie dat een aanzienlijke invloed kan hebben op de genetische diversiteit binnen een populatie. Hoewel het een krachtige vorm van natuurlijke selectie is, is het minder bekend en minder vaak waargenomen dan andere selectiedrukken. Deze vorm van selectie draagt erop dat individuen met zeldzame fenotypen of genotypen een selectief voordeel hebben, wat resulteert in een verhoogde overlevingskans of voortplantingssucces. In dit artikel worden de mechanismen, toepassingen en voorbeelden van negatieve frequentie-afhankelijke selectie besproken, met nadruk op het belang van dit proces voor de biologische diversiteit.

Wat is negatieve frequentie-afhankelijke selectie?

Negatieve frequentie-afhankelijke selectie is een vorm van natuurlijke selectie waarbij het selectief voordeel van een bepaalde fenotype of genotype afneemt naarmate het vaker voorkomt in een populatie. Anders gezegd: hoe zeldzamer een fenotype is, hoe groter de voordelen die het biedt in termen van overleving of voortplanting. Dit mechanisme leidt tot het behoud van genetische diversiteit, omdat zeldzame genotypen een tijdelijk voordeel behalen, waardoor ze kunnen vermeerderen tot ze minder zeldzaam worden en daarmee hun competitieve positie verliezen. Zo ontstaat een cyclische dynamiek waarin genetische varianten periodiek in en uitkomt.

Een voorbeeld hiervan is te zien in de guppy (Poecilia reticulata). In populaties waar mannetjes met zeldzame kleurpatronen voorkomen, blijkt dat deze individuen een hogere overleving hebben bij roofdieren en een grotere aantrekkingskracht bij vrouwtjes. De roofdieren richten zich namelijk meestal op de meest voorkomende kleuren, waardoor de zeldzamere kleuren relatief beter beschermd zijn. Bovendien lijken vrouwtjes een voorkeur te hebben voor mannetjes met zeldzame kleuringen, mogelijk als een strategie om hun nakomelingen minder kwetsbaar te maken voor predatie.

Mechanismen en biologische toepassing

Het principe van negatieve frequentie-afhankelijke selectie kan zowel op morfologische als gedragsniveau werken. Bijvoorbeeld bij Drosophila (vruchtvinbuizen), werden in studies door Fitzpatrick et al. aangetoond dat larven met zeldzaam gedrag in voedselarme omgevingen een hogere overlevingskans hebben. Deze individuen behalen het dus tot volwassenheid in een omgeving waarin voedsel beperkt is, waardoor ze zich sneller kunnen voortplanten. In voedselrijke omgevingen is dit verschil niet zichtbaar, waardoor duidelijk is dat de omstandigheden de effecten van deze selectiedruk beïnvloeden.

Een ander voorbeeld komt van de bijenpopulatie in Australië. Hier werd een snelle genetische adaptatie waargenomen in het csd-gen, wat verantwoordelijk is voor de geslachtsdeterminatie bij bijen. De zeldzame allelen van dit gen bleken in de loop van tien jaar in frequentie te stijgen, doordat de kans op het voortplantingsongeluk (het verkrijgen van onlevensvatbare larven) voor individuen met zeldzame allelen veel lager was dan voor die met gemeenschappelijke allelen. Dit is een duidelijk voorbeeld van hoe negatieve frequentie-afhankelijke selectie kan leiden tot een snelle genetische balans in een populatie, waarin elk allel even versterkt wordt.

Evolutie en diversiteit

De rol van negatieve frequentie-afhankelijke selectie in de evolutie is van bijzonder belang, aangezien het een van de weinige mechanismen is die bijdragen aan het behoud van genetische diversiteit. In de meeste gevallen leidt natuurlijke selectie tot een vermindering van genetische variatie, omdat individuen met gunstige kenmerken overvleugelen en hun genen worden versterkt in de populatie. Negatieve frequentie-afhankelijke selectie daarentegen zorgt ervoor dat zeldzame genotypen tijdelijk een voordeel hebben, wat de kans vergroot dat ze behouden blijven in de populatie. Dit vermindert het risico op genetische homogenisatie en helpt bij het onderhouden van adaptieve mogelijkheden in dynamische omgevingen.

Een illustratief voorbeeld is te vinden bij de mitochondriale haplotypes in bepaalde dierpopulaties. In een studie werd aangetoond dat twee haplotypes (HI en HII) symmetrisch selectie ondergingen, waarbij elk een evenwicht bereikte rond pI = pII = 0,5. Dit betekent dat beide haplotypes gelijk in frequentie werden aangetroffen, wat suggereert dat de negatieve selectie zowel op HI als op HII even sterk werkte. Dit soort dynamiek is essentieel voor het behoud van polymorfisme op het mitochondriale DNA en benadrukt de rol van negatieve frequentie-afhankelijke selectie in het onderhouden van een gezonde genetische diversiteit.

Praktijkvoorbeelden en ecologische consequenties

Negatieve frequentie-afhankelijke selectie heeft ook gevolgen op ecologisch niveau. Het mechanisme helpt bij het voorkomen van dominante genotypen die de rest van de populatie kunnen verdringen. In een populatie met hoge genetische diversiteit is het bijvoorbeeld waarschijnlijker dat er individuen zijn die resistent zijn tegen ziektes of omgevingsveranderingen. Dit zorgt voor een hogere kans op overleving van de populatie als geheel.

In het geval van de guppy is het duidelijk dat de kleurpatronen van de mannetjes zowel een rol spelen bij de voortplanting als bij de predatie. Vrouwtjes tonen een voorkeur voor mannetjes met zeldzame kleuringen, wat leidt tot een selectiedruk die gunstig is voor deze individuen. Tegelijkertijd zijn deze kleuringen ook gunstig voor de overleving, omdat roofdieren sneller gericht zijn op de dominante kleuren. Dit duwt de frequentie van zeldzame kleuren omhoog, totdat ze niet langer zeldzaam zijn en hun voordeel verliezen. Dit leidt tot een dynamisch evenwicht waarin alle kleuringen gelijkwaardig voorkomen.

Een andere ecologische toepassing is te vinden bij de interactie tussen roofdieren en prooidieren. Hierbij kunnen zeldzame kenmerken bij prooidieren, zoals ongewone kleuren of patronen, een selectief voordeel bieden, omdat roofdieren sneller gericht zijn op de meest voorkomende vormen. Dit leidt tot een verhoging van de overlevingskans van individuen met zeldzame kenmerken, wat op zijn beurt weer tot veranderingen in de populatiestructuur kan leiden.

Negatieve frequentie-afhankelijke selectie in het laboratorium en de natuur

Hoewel negatieve frequentie-afhankelijke selectie in de natuur zeldzaam is, is het een krachtig mechanisme dat relatief snel kan werken. In laboratoriumstudies is het mogelijk om deze selectiedruk te observeren bij diersoorten met korte generatietijden, zoals Drosophila of guppy’s. Deze studies hebben aangetoond dat negatieve frequentie-afhankelijke selectie effectief is in het behoud van polymorfisme, zelfs in beperkte tijdspannes.

De genetische adaptatie in de Australische bijenpopulatie is een uitstekend voorbeeld van hoe deze selectiedruk in de praktijk werkt. De csd-allelen die zeldzaam waren in de oorspronkelijke populatie, vermeerderden zich snel in de tien jaar na de introductie in het nieuwe leefgebied. Dit toont aan dat negatieve frequentie-afhankelijke selectie niet alleen theorie is, maar ook een aanzienlijke invloed kan hebben op de evolutie van populaties in de natuur.

Toekomstige onderzoeken en uitdagingen

Ondanks de groeiende aandacht voor negatieve frequentie-afhankelijke selectie blijft deze vorm van selectie relatief minder bestudeerd dan andere vormen. Een van de uitdagingen is dat het vaak moeilijk is om deze selectiedruk direct te observeren in de natuur, omdat het effect krachtig is, maar ook snel kan veranderen. Daarnaast is het moeilijk om te bepalen of een bepaalde genetische verandering het gevolg is van negatieve frequentie-afhankelijke selectie of van andere selectiedrukken of willekeurige processen.

Toekomstige studies zouden dit mechanisme verder kunnen verkennen in een breedere reeks biologische systemen. Het onderzoeken van negatieve frequentie-afhankelijke selectie in soorten met langere generatietijden, zoals zoogdieren of planten, kan meer inzicht geven in de rol van dit proces op langere termijn. Bovendien kan het onderzoek van het effect van milieuveranderingen op deze selectiedruk belangrijk zijn voor het begrijpen van hoe populaties zich aanpassen aan veranderende omstandigheden.

Conclusie

Negatieve frequentie-afhankelijke selectie is een krachtig mechanisme dat een belangrijke rol speelt in het behoud van genetische diversiteit. Het is uniek in de zin dat het individuen met zeldzame fenotypen een voordeel biedt, wat leidt tot een cyclische dynamiek waarin genetische varianten periodiek in en uitkomt. Deze selectiedruk is betrokken bij zowel morfologische als gedragskenmerken en kan effectief werken in zowel laboratorium- als natuurlijke omgevingen.

De effecten van negatieve frequentie-afhankelijke selectie zijn duidelijk waarneembaar in studies op Drosophila, guppy’s en bijenpopulaties. Deze gevallen tonen aan dat dit mechanisme snel kan werken en dat het een belangrijke invloed kan hebben op de genetische samenstelling van populaties. Aangezien het een sleutelrol speelt in het behoud van diversiteit, is het van groot belang voor de ecologie en de evolutie van veel soorten.

Ondanks de groeiende aandacht voor dit onderwerp blijft het moeilijk om het direct te observeren in de natuur. Toekomstige studies zullen moeten aantonen hoe vaak negatieve frequentie-afhankelijke selectie voorkomt en welke factoren bepalen of het effectief is in een bepaalde populatie. Het begrijpen van deze selectiedruk is essentieel voor het begrijpen van hoe populaties zich aanpassen aan veranderende omstandigheden en hoe diversiteit wordt gehandhaafd in de biologische wereld.

Bronnen

  1. Sélection fréquence-dépendante
  2. How an invasive bee managed to thrive in Australia
  3. Negatieve frequentieafhankelijke selectie draagt bij tot het behoud van een globaal polymorfisme in mitochondriaal DNA
  4. Biology for Majors I

Related Posts