In 2025 blijft recreatie en vrijetijdsbesteding een belangrijke aandachtsveld in de Nederlandse toeristische sector. Zowel gemeenten als attractiegroepen passen zich aan de veranderende voorkeuren van de bezoekers aan, terwijl de stijgende kosten en prijsontwikkelingen van invloed zijn op de keuzes van toeristen en dagbezoekers. In dit artikel worden de huidige trends, ontwikkelingen en toekomstplannen van de recreatiesector in Nederland besproken, met een focus op de inzet van extra opbrengsten uit de toeristenbelasting en andere toeristische inkomsten.
Toeristenbelasting en gemeentelijke inzet
In juli 2025 heeft de gemeenteraad van Almere een besluit genomen om extra opbrengsten uit de toeristenbelasting voor de periode 2025–2030 vooral te richten op recreatie en evenementen. Dit bedrag is geschat op 170.000 euro. De gemeente ziet kans om deze middelen in te zetten om het aanbod van recreatieve activiteiten te verbeteren en evenementen te organiseren die aantrekkelijk zijn voor zowel in- als uitlander.
Dit benadrukt het belang dat gemeenten hechten aan recreatie en vrijetijdscultuur als onderdeel van de toeristische agenda. De toeristenbelasting wordt hiermee niet alleen als bron van inkomsten gezien, maar ook als middel om de toeristische infrastructuur en ervaring van bezoekers te verbeteren.
Stijgende betrokkenheid bij culturele en educatieve toerisme
Onderzoek uit 2025 toont aan dat er een duidelijke stijging is in het belang van culturele en educatieve toerisme onder Nederlanders. De top 10 van leerzame dagattracties in 2025 is grotendeels samengesteld uit musea en historische instellingen. In deze top staan de volgende instellingen:
- Anne Frank Huis
- Rijksmuseum Amsterdam
- Van Gogh Museum
- Spoorwegmuseum
- Naturalis (biodiversiteitscentrum in Leiden)
- Het Scheepvaartmuseum
- Nederlands Openluchtmuseum
- NEMO Science Museum
- Luchtvaartmuseum Aviodrome
- Zuiderzeemuseum
Het Van Gogh Museum, dat voorheen minder prominent stond in het bezoekersplan van een "leerzaam dagje uit", heeft inmiddels een sterke positie behaald. Dit toont aan dat de bezoekers voorkeur tonen voor culturele instellingen die educatief en visueel aantrekkelijk zijn.
Ook is opvallend dat alle drie sterkste merken onder de leerzame dagattracties zich in Amsterdam bevinden: het Anne Frank Huis, het Rijksmuseum en het Van Gogh Museum. Dit benadrukt het centrale aantrekkingskarakter van de hoofdstad in het kader van educatieve en culturele toerisme.
Ontspannende dagattracties en prijsgevoeligheid
De ontspannende dagattracties vormen een aparte categorie binnen de recreatiebreuk. Deze omvatten pretparken, dierentuinen en andere toegankelijke activiteiten. In 2025 zijn er duidelijke trends zichtbaar met betrekking tot de prijsontwikkelingen en de voorkeuren van toeristen. De stijgende prijzen van musea en het algemeen stijgende consumentenprijsniveau hebben geleid tot een kantel in de vrijetijdsmarkt.
De Efteling en Walibi Holland worden gezien als de duurste opties binnen de ontspannende dagattracties. Volgens merkadviseur Hendrik Beerda kiezen steeds meer consumenten voor goedkope alternatieven, zoals:
- Verkeers- en Attractiepark Duinen Zathe
- Drouwenerzand Attractiepark
- De Waarbeek
- Sprookjeswonderland
- ZooParc Overloon
- AquaZoo Leeuwarden
- Oorlogsmuseum Overloon
- Toverland
- Slagharen
- Drievliet
Deze attracties scoren hoog op betaalbaarheid, zonder dat het bezoekers in plezier hoeven in te leveren. Het duidt op een wisseling in de voorkeur van bezoekers, waarbij de aandacht voor stijgende entreeprijzen groeit. Vooral in het licht van hogere inflatie en grotere budgetbeperkingen, kiezen consumenten steeds vaker voor activiteiten die qua prijs gunstiger zijn.
De rol van de Museumkaart in de toeristische markt
Een belangrijk aspect binnen de recreatiesector is de rol van de Museumkaart. Inmiddels beschikt 1,5 miljoen Nederlanders over deze kaart, waardoor ze gratis toegang krijgen tot honderden musea en instellingen. Volgens Hendrik Beerda is het voor musea belangrijk om deze mogelijkheid sterker te promoten. Vooral de grotere en duurdere musea kunnen hier veel terrein winnen, aangezien bezoekers vaak niet weten dat ze onder bepaalde voorwaarden gratis toegang kunnen krijgen.
Dit onderstrept de noodzaak voor betere communicatie van de voorwaarden van de Museumkaart en het benutten van de groep van 1,5 miljoen kaarthouders als doelgroep. Voor bezoekers die vaak reizen of culturele activiteiten opzoeken, is dit een waardevolle tool die zowel financieel als cultureel van betekenis is.
Toekomstvisie van de recreatiesector in 2025
De toekomstvisie van de recreatiesector in 2025 wordt gekenmerkt door groeimogelijkheden, maar ook door uitdagingen. Volgens onderzoekers van ABN AMRO zullen Nederlanders in 2025 meer geld uitgeven aan recreatieactiviteiten. Dit hangt samen met loonstijgingen en het feit dat consumenten meer spaargeld beschikbaar hebben. Buitenlandse toeristen zullen ook een rol spelen, aangezien 22 miljoen toeristen naar Nederland verwacht worden – 4,3 procent meer dan in 2024.
Ook het weer speelt een rol in de toekomstontwikkeling van de recreatiesector. Bij slecht weer stijgt de vraag naar binnenactiviteiten zoals bioscopen en musea, terwijl bij goed weer pretparken en dierentuinen populairder worden. Pretparken passen zich hierop aan door te investeren in overdekte attracties, waardoor ze aantrekkelijk blijven ongeacht het weer.
Na de coronapandemie groeide de recreatiesector sterk, maar in 2024 werden consumenten voorzichtiger vanwege inflatie en hogere prijzen. Toch lijken de vooruitzichten voor 2025 opnieuw positief. De sector moet wel rekening houden met de stijgende prijzen en het gevoel van prijsgevoeligheid onder bezoekers.
Invloed van evenementen en toeristische investeringen
Evenementen en toeristische investeringen spelen een steeds groter rol in de recreatiesector. Gemeenten zoals Almere investeren bewust in evenementen en recreatieve activiteiten om toeristen aan te trekken en de lokale economie te stimuleren. Dit benutten ze door middel van de extra opbrengsten uit de toeristenbelasting.
De inzet van middelen op evenementen betekent dat de recreatiesector niet alleen een plezieractiviteit is, maar ook een economische motor. Hierdoor kan de sector meer aandacht krijgen in het kader van beleidsvorming en investeringen. De combinatie van educatieve en ontspannende activiteiten maakt de Nederlandse toeristische markt bovendien divers en aantrekkelijk voor een breed spectrum aan bezoekers.
Conclusie
De toeristische en recreatieve sector in Nederland staat in 2025 vooruit te ziehen. Zowel de inzet van gemeenten via de toeristenbelasting als de groei van culturele en educatieve activiteiten zorgt voor een divers aanbod dat zowel in- als uitlander aantrekt. De stijging van entreeprijzen en consumentenprijsontwikkelingen leiden tot een kantel in de vrijetijdsmarkt, waarbij goedkope alternatieven steeds belangrijker worden.
Tegelijkertijd benutten musea en recreatiebedrijven de mogelijkheden om zich aan te passen aan de veranderende voorkeuren van bezoekers. De rol van de Museumkaart en de toegankelijkheid van gratis activiteiten blijft hierin centraal. De toekomst van de sector hangt af van investeringen in zowel educatieve als ontspannende activiteiten, evenals van een duidelijke communicatie van de beschikbare opties voor bezoekers.