Onthullen van Dordrecht: Een Gids voor Bezoekers van Bezienswaardigheden en Geschiedenis
augustus 29, 2025
Deze reis naar Parijs gaat verder dan de bekende attracties. Het is een reis naar de diepere lagen van geschiedenis, waar de grens tussen nationale trots en vergetenis vaak onduidelijk is. De Panthéon, een imposante tempel in het hart van Parijs, is meer dan een bepaalde plek om te bezoeken. Het is een plek waar vergeten geschiedenis op de voorgrond komt te liggen, vooral als men op het juiste moment in de juiste hoek van de crypte kijkt. Hier, op een plek die veelal onopgemerkt voorbijgaat, rust een verhaal over een Nederlander die in het buitenland de erkenning kreeg die hij in zijn vaderland lang ontkend werd. Deze man, Jan Willem de Winter, is een voorbeeld van hoe nationale identiteit en politieke correctheid elkaar kunnen uitsluiten, ook na eeuwen.
Het verhaal van de Panthéon is niet alleen een kwestie van architectuur of cultuur, maar ook een verhaal over besluiteloosheid – niet alleen in de zin van een karaktertrek, maar ook in de zin van een politieke keuze die het verleden lang heeft beïnvloed. In Nederland was de manier waarop men met de geschiedenis omging lang jaren beheerst door de geest van de zogeheten "Hoge Tijd" en de poging om de geschiedenis zo te vertellen dat het "ons geliefd koningshuis en vaderland" in een gunstig licht werd gesteld. De Winter, die in de ogen van veel Nederlandse historische bronnen een voorganger was van de verloedering, werd door de heersende elite jarenlang genegeerd, verdrongen, en uiteindelijk vergeten. Pas nu, na eeuwen, komt zijn naam weer ter sprake – niet door een officiële heroplezing van het verleden, maar doordat een Parijse bewaarder van de Panthéon op een toevallige dag in een museumwinkeltje met een zeker gevoel voor drama en ironie over zijn grafzeer zei: "in principe liggen ze allemaal beneden in de crypte". En precies op die plek, in de diepte van de Panthéon, rust de herinnering aan een man die in zijn tijd het leger van het koninkrijk der Nederlanden aanvoerde en die in Parijs eindigde als een van de eersten die in de grote zaal van de nagedachtenis werden geplaatst.
Deze herinnering is echter geheel gebaseerd op een verhaal dat in het Algemeen Nederlandsch Familieblad uit 1885 is vastgelegd. Het begon in augustus 1813, direct na zijn dood, toen men in Kampen, in de Bovenkerk, een klein, roodmarmeren monumentje plaatste voor hem als erkenning van zijn plaats in de gemeenschap. Maar het was in Parijs dat hij echt werd geëngageerd in het nationale geheugen. In 1812, kort voordat Napoleon zijn ondergang begon te maken in Rusland, overleed De Winter te Parijs. Zijn dood was een gebeurtenis van nationaal belang. Het Staatkundig dagblad van het departement der monden van den Yssel meldde op 18 juni 1812 dat zijn lichaamswandeling, "zo ontzagverwekkend als talrijk", werd begeleid door hoge functionarissen, militaire detachementen en ambtenaren uit alle lagen van de samenleving. Het was een staatsonderhoud dat weinig in de schijnwerpers van de geschiedenis kwam, maar dat wel het gewicht van een nationale erkenning droeg.
Deze erkenning bleek echter niet volledig te zijn. In hetzelfde artikel uit 1885 wordt namelijk vermeld dat De Winters stoffelijke resten het hart ontberen. Dit is een bijzonder geval, want het is niet ongebruikelijk dat lichamen zonder hart worden begraven, vooral als de overlijdenstijd in het verleden ligt. Maar dat het verhaal hier zowel in het Familieblad is vastgelegd als dat het in de loop van de eeuwen weinig is geïnterpreteerd of bevestigd, suggereert dat dit een bijzondere, bijna sfeervolle dood is geweest. Misschien is het hart, een symbool van trouw, trouw van hart, of zelfs van de menselijke geest, nooit meer gevonden. Of misschien is het gewoon verloren gegaan in de chaos van oorlog en overgangen. Wat wel duidelijk is: De Winter werd niet op de gebruikelijke manier begraven. Zijn lichaam werd in de crypte van de Panthéon geplaatst – een eer die in die tijd slechts een klein aantal mensen kreeg, vooral buiten Frans landgenoten.
Deze onthulling van het ontbreken van het hart is een geval van historische onduidelijkheid, maar ook een symbool voor wat het verhaal over De Winter vertegenwoordigt: een man die in zijn eigen land lang onzichtbaar bleef, terwijl hij in het buitenland het erkennen van de grote geesten werd. Zijn naam staat bij de andere grootte van de Franse geschiedenis: de drie Franse grootheden en hijzelf, met zijn geboorte- en overlijdensdatum (23 maart 1761 – 2 juni 1812), gebeiteld op de muur van de grafkamer IV. Deze ruimte, verborgen achter een kleine rotonde en een linksafslag, is een plek waar de tijd stilstaat. Het is geen toeval dat het verhaal van De Winter hier begint en eindigt. Het is een plek van stilte, waar de stemmen uit het verleden zweven, alsof de doden nog kunnen spreken.
Maar waarom is deze man zo belangrijk? Waarom moet hij in een tijd van politieke correctheid en nationale herstel van de geschiedenis opnieuw opgehaald worden? De reden ligt in zijn rol als opperbevelhebber van het leger van het Koninkrijk der Nederlanden. Hij was een van de weinige Nederlandse militairen die in de Franse dienst dienden, en die daarna in het buitenland zijn erkenning kreeg. In plaats van te worden bestempeld als een verrader, zoals veel andere Nederlandse edelen in die tijd, werd hij door de Franse samenleving geëerd. Dat is een uniek geval in de geschiedenis van de Nederlandse buitenlandse betrekkingen. De reden hiervoor is waarschijnlijk zijn trouw aan het koningshuis, maar ook zijn rol tijdens de Franse overheersing. Hij was actief in de strijd tegen de Britten, en zijn loopbaan liep parallel aan die van andere Franse officieren die later in de geschiedenis een rol speelden. Hij was geen burger van het koninkrijk der Nederlanden, maar een militair die in dienst was bij het keizerrijk Napoleon. Toch werd hij in het buitenland geërd, terwijl hij in zijn vaderland jarenlang genegeerd werd.
Deze spanning tussen nationale herinnering en vergetenis is een thema dat ook in andere delen van de bronnen naar voren komt. In bron 3 wordt namelijk gesproken over de geest van "besluiteloosheid", niet in de zin van een gebrek aan wil, maar in de zin van een diepe, intellectuele verlamming. De componist Wolfgang Rihm, die in de jaren zestig en zeventig actief was, werd in zijn tijd niet direct erkend. Zijn werk werd als te geavanceerd, te gevaarlijk, te gevaarlijk voor de traditie beschouwd. Toen hij in 1976 zijn kameropera Surrealisme componeerde, werd er over de titel gediscussieerd, en werd er weinig over gezegd dat het stuk in feite een metafoor is voor een geest die door zijn eigen obsessie wordt overspoeld. De held, een wetenschapper, verwaarloost zijn familie, zijn kinderen, zijn moeder, en probeert uiteindelijk het menselijk brein te ontwarren. Het einde is macabere, groteske grappigheid: hij sterft, en zijn studenten openen zijn schedel om te ontdekken dat hij het grootste brein had van allemaal – iets wat hij zelf nooit had kunnen voorspellen.
Dit verhaal over de besluiteloosheid van een wetenschapper die door zijn eigen verstand wordt verslagen, lijkt op het eerste gezicht niets te maken te hebben met de geschiedenis van De Winter. Maar er is een diepe verbinding. Beiden zijn figuren die in hun tijd onbegrepen waren, die in hun eigen land lang genegeerd werden, terwijl ze in het buitenland herkend werden. Beiden zijn figuren die door de tijd worden uitgesloten, niet omdat ze slecht waren, maar omdat hun denken te verder ging dan de maatschappelijke grenzen van hun tijd. Beiden zijn figuren van het denken dat niet kan worden gevangen in een enkele definitie.
In het geval van De Winter is het onduidelijk of zijn hart werkelijk ontbrak, of of het simpelweg verloren is gegaan. De bron uit 1885 vermeldt het, maar het is geen officieel rapport. Er zijn geen bewijzen dat het daadwerkelijk ontbrak, noch dat het in een andere stad is geplaatst. Het is dus een verhaal dat op basis van één bron, het Algemeen Nederlandsch Familieblad, is vastgelegd. Gezien de betrouwbaarheid van dat tijdschrift, dat op zijn minst een officieel verslag van de stad Kampen bevat, is het mogelijk dat het verhaal waar is. Maar zonder officiële bronnen uit Parijs of de Franse overheid, blijft het onzeker.
Toch is het belangrijk dat dit verhaal wordt verteld. Want het geeft een voorbeeld van hoe geschiedenis niet altijd is wat er in de boeken staat, maar vaak wat er tussen de regels in de geschiedenis staat. Het is een verhaal dat vertelt dat er mensen zijn geweest die in hun eigen tijd niet werden herkend, maar die in het verleden toch een rol speelden. En het is een verhaal dat ook vertelt dat de keuze om iemand te herdenken niet altijd afhankelijk is van zijn of haar nationaliteit, maar vaak van zijn of haar werking in de wereld.
Voor de reiziger naar Parijs is de Panthéon dus meer dan een bezienswaardigheid. Het is een plek om te denken. Het is een plek om te leren dat de geschiedenis niet altijd rechtlijnig is, en dat degenen die lang onzichtbaar waren, soms juist het meest herinnerd worden. Voor de Nederlandse reiziger is het een plek om te leren dat er mensen zijn geweest die, ondanks hun nationale herkomst, in het buitenland zijn herkend. En voor iedereen die houdt van het diepe verhaal, van het vergeten dat nooit vergeten hoeft te worden, is het een plek om stil te staan – in de diepte van de crypte, waar de stille stemmen van het verleden nog kunnen worden gehoord.
Het thema van besluiteloosheid is in de bronnen niet beperkt tot het persoonlijke karakter van een individu. Het is een thema dat zich uitstrekt van de psychologie van een kunstenaar tot de politieke keuzes van een land. In het geval van de componist Wolfgang Rihm is het een kernthema van zijn werk Surrealisme, een kameropera uit 1976 die weinig met Goethe of Shakespeare te maken heeft, zoals de titel zou kunnen doen vermoeden. Het stuk is een dramatische voorstelling van een geest die volledig wordt ingenomen door zijn eigen onderzoek, terwijl hij zijn familie en menselijke banden negeert. De held is een wetenschapper die denkt dat hij het menselijk brein kan ontwarren, maar uiteindelijk blijkt hij zelf het grootste brein te hebben – een bittere grap van het lot die de grenzen van menselijk denken op de proef stelt. Dit verhaal, dat veel weg heeft van het klassieke drama van Faust, is een voorbeeld van hoe kunst kan fungeren als spiegel voor de menselijke aard, vooral wanneer die aard in conflict staat met de eigen verlangens.
Deze vorm van besluiteloosheid is niet louter een gevolg van gebrek aan wilskracht, maar eerder een gevolg van te veel denken. De held is niet bang voor het antwoord, maar voor het feit dat hij het antwoord nooit zal kunnen vatten, omdat het altijd weer wegglijdt. Dit is een vorm van intellectuele zelfvernietiging, waarbij de mens het doel van zijn zoektocht verliest doordat hij het middel te sterk in de aandacht heeft. Het is een thema dat ook in andere kunstvormen voorkomt – in de literatuur van Kafka, in de schilderkunst van de Surrealisten, of in de muziek van Rihm zelf.
In het geval van De Winter is de besluiteloosheid anders geïnterpreteerd. Niet door een gebrek aan actie, maar door een gebrek aan erkenning. Hij was een leider, een militair, een man die in zijn tijd grote verantwoordelijkheden droeg. Toch werd hij in zijn eigen land jarenlang genegeerd. Hij werd niet als held gevierd, noch als politieke figuur herinnerd. In plaats daarvan werd hij door de heersende elite als verrader gezien, omdat hij in dienst was van het keizerrijk Napoleon, dat in Nederland werd gezien als een vijand. Dit is een vorm van besluiteloosheid die niet in het individuele denken ligt, maar in het collectieve besluit om iemand te vergeten.
Deze keuze om iemand te vergeten, is een vorm van nationale zelfbescherming. Door mensen als De Winter te negeren, kon het land zijn eigen geschiedenis op een bepaalde manier vormgeven. De geschiedenis werd niet als een verzameling feiten, maar als een verhaal dat bepaalde boodschappen moest overbrengen. En in dit verhaal was de figuur van de Nederlandse patriot die strijd leverde tegen de Franse overheersing belangrijker dan de figuur van de Nederlandse generaal die in dienst was van het keizerrijk.
Maar nu, na eeuwen, wordt dit verhaal langzaam hersteld. Door het werk van historici zoals Ger Verhoeve, die in 2018 een artikel schreef dat verscheen in Trouw, wordt het verhaal van De Winter geleidelijk aan hersteld. Zijn graf in de Panthéon is niet meer alleen een plek om te kijken, maar een plek om te denken. Het is een plek waar de grens tussen herinnering en vergetenis wordt uitgebreid.
Voor de reiziger die naar Parijs reist en de Panthéon wil bezoeken, is het belangrijk om rekening te houden met de volgende feiten. De Panthéon ligt in de 5e arrondissement, aan de linkzijde van de Seine, dichtbij het hoofdgebouw van de Sorbonne. Het is bereikbaar met de metro (lijn 4, halte Luxembourg) of met de bus. De ingang is geopend van woensdag tot zondag, van 10.00 tot 18.00 uur. De entree kost 12 euro. Het is aan te raden om dit van tevoren te boeken via de officiële website van de Panthéon.
In de crypte, waar het graf van De Winter zich bevindt, is het donker en rustig. De wanden zijn bezaaid met namen van beroemde Franse figuren. Het is belangrijk om niet te veel lawaai te maken, omdat dit een plek van rust is. De plek is niet uitgebreid uitgelicht, dus een zaklamp of telefoontje is handig om de namen goed te kunnen lezen.
De reis naar de Bovenkerk in Kampen, waar een klein monument voor De Winter is geplaatst, is een uitgebreidere tocht. De reis van Parijs naar Kampen duurt ongeveer vijf uur met de trein. De Bovenkerk ligt in het centrum van de stad, op ongeveer 200 meter van het plein. Het is een oude kerk uit de 15e eeuw, die de laatste jaren hersteld is. Het is gratis om binnen te gaan, maar de kerk is slechts op bepaalde dagen geopend.